zondag 20 december 2015

Vive les Pompiers (part 2)

Woensdagnacht half één, volgens planning zou ik nu al zo’n veertig minuten in huis, lekker naast Henk in een heerlijk warm bed liggen, maar in tegenstelling zit ik buiten, voor ons huis, in de middle of nowhere op een verlaten kruispunt in een donkere koude auto naast een verwarde mevrouw te wachten op de pompiers.
Wat een bizarre situatie, wie vindt er nu op dit late tijdstip in de donkere nacht, voor z’n deur een oud dametje liggend naast haar auto? Wat deed ze daar in hemelsnaam, zo’n omaatje moet toch ook allang in bed liggen? Wat een geluk dat Henk z’n computer niet afgesloten had, anders had ik niet naar buiten gekeken.
“Gaat het madame?” vraag ik bezorgd en ik pak haar handen die volkomen verkleumd zijn. Ze moet vast al een flinke tijd daar op de grond gelegen hebben, de arme ziel.
“Ze komen er zo aan hoor!” zeg ik bemoedigend, terwijl ik haar handen tussen mijn handen probeer warm te wrijven.
Ik moet haar aan de praat houden, denk ik bezorgd, wie weet wat ze onder haar leden heeft en als ze inderdaad suikerziekte heeft en haar medicijnen niet heeft gehad kan er van alles gebeuren.

Om haar gerust te stellen vertel ik dat ik Nederlandse ben en hier woon en dat ik toevallig naar buiten keek en haar auto zag. “Waarom was u daar?” vraag ik toch ook nieuwsgierig.
Het dametje begint weer wat op te warmen en nog steeds een beetje hortend en stotend komt er dan toch een soort van verhaal:
Ze was in haar auto wakker geworden op een parkeerplek bij de rotonde. Waarom ze daar was vermeldt ze niet, en ik vergeet het te vragen. Ze is gaan rijden maar in plaats van thuis kwam ze hier uit. Ze had totaal geen idee waar ze was, dus is ze hier op het kruispunt gestopt omdat ze niet wist welke richting ze op moest. Maar ze moest ontzettend plassen, dus is ze uitgestapt en daar was wat misgegaan, ik begrijp het niet helemaal, maar het komt er op neer dat ze is gevallen, niet meer op kon staan en toen dus in haar broek geplast heeft.  
Ze bedankt me wederom, en inmiddels duidelijk weer wat tot zichzelf gekomen, vraagt ze hoe ik heet. “Elisabeth,” antwoord ik. “Ah, Elisabeth,” zegt ze met een zucht, “dat is makkelijk om te onthouden, zo heet m’n zus ook. Ik heet Paulette.”

Net als ik is zij blijkbaar ook nieuwsgierig van aard, dat schept een band.
Ze wil weten hoe oud ik ben en vertelt dat ze zelf 78 jaar is en dat ze vroeger twee discotheken gerund heeft. Nou dat vind ik natuurlijk weer razend interessant! Wie verwacht dat nu weer?
Ik vertel dat ik met mijn man ook een muziekcafé gehad hebben in ons dorp.  Zij legt uit waar haar discotheek was en dat ze daar nu nog woont,  en toevallig weet ik nog dat toen wij hier kwamen wonen, ik uit nieuwsgierigheid nog wel eens langs die discotheek gereden ben. Ik vond het toen best merkwaardig dat er in zo’n schijnbaar uitgestorven doods dorp,  zo’n ‘Boîte de Nuit’ (Discothèque) was. Dan moeten er hier toch ook jongeren wonen, had ik mezelf, gezien onze plannen om een muziekcentrum te starten, nog gerustgesteld.
Haar handen zijn inmiddels weer opgewarmd maar voor de zekerheid houd ik ze nog maar even vast. En terwijl we daar zo samen zitten besef ik me dat we toch zeker al twintig minuten aan het wachten zijn.
“Waar blijven die pompiers nou?” vraag ik me hardop af.
Oh shit, misschien hebben ze wel gebeld, bedenk ik me ineens helder. Wat een kip ben ik, geef ik m’n telefoonnummer en laat ik dat ding vervolgens binnen liggen. 
“Ik ga even naar binnen, Paulette, ik ben zo terug.”
De telefoon knippert, er heeft dus iemand gebeld. Ik bel het nummer terug en het zijn inderdaad de pompiers. “Inmiddels zijn we erachter waar u woont,” zegt de brandweerman, en gelijktijdig komt er iets groots dreigends met zwaailichten verderop de bocht omzeilen.

En dan gaat het ineens snel.
Ze zijn met z’n drieën. Eén van de pompiers vraagt waar ik haar heb gevonden en vraagt hoe die auto dan nu voor ons huis komt. De andere twee ontfermen zich over madame.
Ik leg alles uit en dan komt één van de andere twee vragen of ze even binnen mogen met mevrouw. Ze moeten haar eerst onderzoeken voordat ze de ‘ambulanceauto’ in kan.
Ze zijn gehaast.
Ik open de voordeur en de pompier pakt vrijpostig direct de eerste de beste fauteuil die hij ziet.
Oh nee, ze heeft in haar broek gepiest, schiet het verschrikt door m’n hoofd.  “Nee, die niet!” gebied ik de man, “wacht even, ik pak een andere!”
Terwijl ik vanuit de kamer een zware leren stoel richting de voordeur sleur, gaat de man snel weer naar buiten. Tien tellen later staat de stoel bij de deur, maar het hoeft al niet meer. Ze hebben madame inmiddels uit de auto gesjord en haar toch maar in de ambulance gelegd.
De eerste man komt aanlopen met de sleutels van Paulettes auto en vraagt waar hij die hier kan parkeren. “Zet maar naast het huis,” antwoord ik, beduusd door deze overmacht aan snelle acties.
In een vaart rijdt hij achteruit en parkeert de auto redelijk schuin, slechts enkele centimeters van onze eigen auto, op de betonnen parkeerplaats.
Ik loop naar hem toe om te vragen hoe het nu verder gaat, maar hij baant me resoluut voorbij, stapt aan de achterkant de ambulance in en trekt zo recht voor m’n neus de deur dicht.
Beng!

Beteuterd sta ik alleen buiten in de kou naast de auto. Verwonderd hoe het allemaal gaat voel ik na enkele seconden verontwaardiging opkomen. Ik heb verdorie madame gevonden, me over haar ontfermd en nu word ik zo aan de kant geschoven, ik mag toch op z’n minst weten wat er aan de hand is en wat ze gaan doen met haar!
Venijnig klop ik op de achterdeur van de ambulance.
De deur gaat open en binnen zie ik haar op de brancard liggen. Ze zijn druk bezig om haar te onderzoeken… Ze hebben haar jas uitgetrokken en ze heeft een bloeddrukmeter rond haar bovenarm.
“ Ça va, Paulette?” vraag ik bezorgd. “Oui, ça va Elisabeth,” antwoordt Paulette gedwee met een zacht pruttelstemmetje…
Als ik vraag of ze haar naar het ziekhuis gaan brengen, knikt één van de pompiers bevestigend en verder geven ze geen krimp. Ik sta er echt voor spek en bonen bij.
“Ok, Paulette, veel sterkte,” zeg ik meelevend en doe een stap terug. De brandweerman trekt de deur weer dicht.

Ineens voel ik dat ik het koud heb, door alle consternatie ben ik al die tijd vergeten om een jas aan te trekken. Het heeft geen zin om hier buiten in de kou naast die wagen te blijven staan.
Ik ga naar binnen, nog steeds besluiteloos wat te doen, want de ambulance staat na tien minuten nog steeds voor onze deur. Door het raampje boven de deur zie ik het oranje licht van de zwaailampen vervaarlijk rond draaien.  
Ze pakken het wel heel grondig aan hoor, denk ik bewonderend ondanks mijn ergernis over hun niet toeschietelijke, haast norse gedrag naar mij toe.
Als ‘slachtoffer’ ben je bij hen echt in heel goede handen, dat moet ik ze nageven!
Terwijl ik nog wat loop te drentelen in huis, hoor ik de motor starten, er wordt gas gegeven en  het oranje licht verdwijnt, weg zijn ze…
Ik ga naar boven, poets m’n tanden en stap dan eindelijk, ijskoud, naast Henk ons bed in.
Het is tien voor half twee. Wat een nacht!
“Henk, je moet eens weten wat ik net allemaal heb meegemaakt,” zeg ik tegen m’n half slapende man.  “De ambulance is net weg, er was een vrouw in nood voor de deur.” Henk mompelt wat en geeft verder geen sjoege.
Nou ja, dat vertel ik morgen wel, denk ik, terwijl ik het dekbed over m’n hoofd trek en rillend tegen hem aankruip.  
 
Na drie dagen heb ik nog steeds geen nieuws van Paulette. Er is ook nog niemand geweest om haar auto, die behoorlijk onhandig staat geparkeerd, op te halen. Ze zal toch nog wel leven?
Ik besluit om haar op te gaan zoeken.
De wijk waar ik moet zijn is niet de sjiekste van het dorp. Het is even zoeken, want ik kom hier nooit, maar dan herken ik ineens de oude discotheek. Maar helaas vang ik bot, de plek ziet er erg stil en verlaten uit. Het hek is dicht en ik heb dubbele pech want op de brievenbus staat geen naam vermeld. De straat is verder erg stil, ik bel aan bij een aantal huizen, maar er wordt niet opengedaan.
Iets verder weg, bij een van de wat kleinere arbeidershuisjes heb ik geluk. Een vriendelijke man van mijn leeftijd doet open. Hij weet dat madame daar woont maar weet verder ook van niets, ook niet hoe ze heet. Wel weet hij dat ze twee dochters heeft en dat de buren, die niet opendeden, wel contact met haar hebben.
Hij beloofd om navraag te doen en mij te bellen. Ik laat m’n kaartje met ons telefoonnummer achter.
Maar ik hoor of zie niemand de hele week, tot er op vrijdag op de voordeur geklopt wordt. Henk die beneden is, doet open.
Ik zit boven en hoor hem wat murmelen en dan naar boven roepen, “Lies, het is iemand voor jou!”
Ik herken hem direct, de buurman uit het huisje. Hij verontschuldigt zich dat hij niet meer gebeld heeft, maar hij zegt dat hij wel mijn kaartje aan zijn buren gegeven heeft. Hij is inmiddels ook benieuwd, want de oude dame is nog steeds niet thuis teruggekeerd.
Ik zeg dat ik ook geen nieuws heb en dat de auto er ook nog steeds staat.
We zijn het er beiden over eens dat het maar een vreemd verhaal is. Schouder ophalend vertrekt hij weer.


Op zondagmiddag is de auto ineens weg.
“Nou moe, dat is wel heel brutaal, vind je niet Lies?” zegt Henk ontstemd. “We waren nota bene gewoon thuis, niet erg netjes om ons niet eens in te lichten!”
“Ja en nog erger, nu weet ik nog niet wat er gebeurd is en hoe het met haar gaat,” zeg ik beteuterd.
“Er is vast iets ergs gebeurd, want dit had ik niet van haar verwacht, zij zou me wel opgezocht hebben!”
Ik neem me voor om nog eens naar haar huis te gaan om haar op te zoeken, maar daar blijft het bij en aangezien de dagen toch zo snel gaan, zakt de hele geschiedenis wat weg.

Maar vandaag, drie weken na die koude nacht, stopt er weer een auto voor de deur en ook nu is het Henk die opendoet. “Lies, twee dames hier voor jou!”, roept ie naar boven.
Ze staan al binnen als ik beneden kom, een oudere en jongere vrouw, de oudere heeft een  pakketje in haar hand. Even begrijp ik het niet, een pakketje voor mij? Maar dan zie ik ineens wie het is… “Hee, Paulette! roep ik blij verrast, “wat ben ik blij om jou te zien!”
We kussen elkaar hartelijk op de wang en Paulette stelt de andere vrouw voor als haar dochter. “Ik woon nu bij haar in huis,” zegt ze zachtjes.
“Ja, ze kon echt niet meer alleen blijven wonen!” zegt haar dochter resoluut. “Moeder heeft  diabetes, dus ze moet oppassen! Voor jou geen nachtelijke escapes meer moeder,” zegt ze streng tegen Paulette.
Paulette is het roerend met haar eens, “Nee, dat is allemaal niet goed meer voor mij,” bevestigt ze  haar dochter ferm.

“Maar Paulette, hoe gaat het nu met je?  Ik wil weten wat er allemaal gebeurd is. Hoelang heb je uiteindelijk in het ziekenhuis gelegen? Was het ernstig?”
“Nee, het viel reuze mee,” antwoordt haar dochter wat pinnig in haar plaats, en ze kijkt bestraffend naar Paulette.  “Ze hebben haar ’s nachts bloed afgenomen en toen bleek dat ze een veel te hoog alcoholpromillage in haar bloed had. Ze heeft haar roes uitgeslapen en de volgende dag, ’s middags, heb ik haar opgehaald, het is voor schandaal!”
Paulette overhandigt me het cadeautje en zegt berouwvol maar met een heimelijk schalks lachje: “Ik had te veel gedronken…”

2 opmerkingen: